Patiënten

Jaarverslag 2009

jaarverslag2009extra

Aantal patiënten
In 2009 hebben 149.891 patiënten verpleegkundige verzorging ontvangen van Wit-Gele-Kruisverpleegkundigen. T.o.v. vorig jaar is dit een stijging in het aantal patiënten met 1,61 %.

Figuur 1 geeft de evolutie weer van het totaal aantal patiënten op jaarbasis sedert 2006. Hieruit blijkt dat het aantal patiënten jaar na jaar toeneemt. In 2009 komen er gemiddeld 9.934 nieuwe patiënten per maand bij. Een evenredig aantal patiënten stroomt ook elke maand uit.

jv2009_fig1


De items van de Katz-schaal


Elk item (wassen, kleden, ...) wordt gescoord op een vierpuntenschaal, naargelang de afhankelijkheid van de patiënt. De verpleegkundige evalueert aan de hand hiervan de zorgafhankelijkheid van de patiënt, bij aanvang van de verzorging en later op regelmatige tijdstippen. De meeste patiënten zijn afhankelijk voor 'wassen' en 'kleden' (resp. 65,0 % en 63,5 %). Toch zien we dat nog 42,4 % hulp nodig heeft bij het eten. De taak behelst vnl. het hapklaar maken van het eten en het goed positioneren van de patiënt. 2,3 % van de patiënten is totaal afhankelijk bij het eten (1.496 personen), 7,1 % heeft gedeeltelijk hulp nodig bij het eten of het drinken (4.618 personen).
Het relatief aantal patiënten dat afhankelijk is (d.i. een score 2, 3 of 4) voor de verschillende items, wordt weergegeven in Figuur 2.

jv2009fig2


De Weckx-schaal

Om te weten hoe de psychosociale context is van de patiënt hanteren de thuisverpleegkundigen de Weckx-schaal. Deze schaal beoordeelt de patiënt op 5 parameters: - de graad van oriëntatie, de graad van rusteloosheid, de woonsituatie van de patiënt, de mantelzorg (of de patiënt voldoende omringd is door familie of vrienden) en de mate van comfort dat de patiënt in huis geniet. De schaal kent 4 niveaus met een totaal score van 0 tot 3. Een score 0 betekent dat de patiënt geen enkel probleem heeft voor elk van de items. De hoogste score (score 3) geeft aan dat de patiënt voortdurend gedesoriënteerd of rusteloos is. Score 2 geeft aan dat de patiënt occasioneel gedesoriënteerd of rusteloos is, of alleen woont, of beschikt over een mantelzorg die sporadisch of zelfs afwezig is ofwel dat de patiënt geen stromend warm water heeft in huis. Score 1 ten slotte geeft aan dat de patiënt onder hetzelfde dak woont met een valide doch niet beschikbare of met een niet-valide persoon, dat er soms mantelzorgers over de vloer komen en dat er hoewel geen ingerichte badkamer, wel stromend warm water in de keuken is. Figuur 3 geeft de verdeling aan van patiënten naar de Katz-schaal in functie van de Weckx-schaal. We merken op dat het merendeel van de patiënten die score 6 of score 7 halen op de Katz-schaal ook het hoogste scoren op de Weckx-schaal (score 3).
JV2009FIG3


Oriëntatie en rusteloosheid

De grote meerderheid (86,3 %) van de patiënten heeft geen oriëntatieproblemen(Figuur 4). 10,9 % is occasioneel gedesoriënteerd en een minderheid (2,8 %) is voortdurend gedesoriënteerd. Voor rusteloosheid vinden we ongeveer dezelfde verhoudingen terug. Deze verhoudingen blijven over de jaren heen stabiel.

JV2009FIG4


Woonsituatie – mantelzorg
(Weckx-schaal)
De woonsituatie is bepalend voor de score op de Weckx-schaal. Wonen er al dan niet andere personen onder hetzelfde dak en in welke mate zijn zij beschikbaar?
Cijfers over de woonsituatie tonen aan dat de meerderheid van de patiënten woont met een beschikbare valide persoon (70,1 %). Vrij opvallend is dus dat bijna 30 % van de patiënten niet kan rekenen op inwonende mantelzorg omdat ze alleen wonen (21,4 %) of samenwonen met een niet beschikbare valide persoon (8,5 %) (Figuur 5).JV2009FIG5

Bij het merendeel van de patiënten (58,1 %) is het netwerk van mantelzorgers goed uitgebouwd, bij iets meer dan een kwart van de patiënten (25,6 %) is de mantelzorg partieel aanwezig maar in 16,3 % van de gevallen is deze niet of sporadisch aanwezig (Figuur 6).

De thuisverpleegkundige heeft dus vaak niet enkel een verpleegtechnische rol, ook haar sociale functie is van groot belang.JV2009FIG6

JV2009FIG7Op de lange termijn valt bovendien op dat er een trage maar gestage evolutie naar een betere mantelzorg voor de patiënten kan vastgesteld worden, waarbij de mantelzorg die sporadisch verleend wordt blijft verminderen (Figuur 7).


Comfort
(Weckx-schaal)
Ondanks de algemene welvaart in Vlaanderen beschikt 9,8 % van de patiënten niet over een ingerichte badkamer. 1,7 % heeft zelfs geen stromend warm water in de woning (1.108 personen). Deze cijfers geven aan dat de omstandigheden waarin de hulpverlening verstrekt wordt niet altijd optimaal zijn. Dit gebrek aan basiscomfort is belangrijker bij oudere patiënten (figuur 8).

Uit voorgaande figuren blijkt wel dat patiënten niet enkel fysieke noden hebben: ook aan psychische en psychosociale noden moet de thuisverpleegkundige dus een deskundig antwoord bieden.
JV2009FIG8


Verband Katz-schaal en vergoeding
Tabel 1 geeft de vergoedingscategorieën weer in relatie met de Katz-scores. We zien dat forfait-C-patiënten en patiënten met het palliatief forfait C zich uitsluitend in de categorie Katz 7 bevinden. Omgekeerd merken we echter dat 4,7 % (2.080 personen) van de patiënten waarvoor er een vergoeding per handeling is, een Katz-score van 6 of 7 hebben, hetgeen toch een grote afhankelijkheid inhoudt voor de items incontinentie en/of eten.
JV2009TAB1


Sociaal statuut van de patiënten
Van alle patiënten is ook het sociaal statuut gekend. Zo heeft 51,1 % van de patiënten geen voorkeurregeling en hebben de andere patiënten (48,9 %) wel een voorkeurregeling. Dit betekent dat deze laatste groep recht heeft op een verhoogde tegemoetkoming in de terugbetaling van de zorgen. Deze regeling houdt in dat het honorarium van de thuisverpleegkundige voor deze groep voor 100 % vergoed wordt door het RIZIV. Voor de eerste groep van patiënten is een remgeld van 25 % eisbaar.
In de mannelijke populatie zijn er beduidend meer patiënten die geen recht hebben op de verhoogde tegemoetkoming dan bij de rechthebbenden, nl. 55,9 % t.o.v. 44,1 % (zie Figuur 9). In de vrouwelijke populatie is dit omgekeerd: meer vrouwen hebben recht op de verhoogde tegemoetkoming (resp. 51,5 % t.o.v. 48,5 %).

De gemiddelde leeftijd bij de mannelijke populatie is dezelfde voor patiënten met of zonder voorkeurregeling, deze voor de vrouwelijke populatie toont wel een opvallende verschil: de gemiddelde leeftijd van deze patiënten die recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming is 79,0 jaar; de vrouwelijke patiënten zonder recht op een verhoogde tegemoetkoming zijn 2,8 jaar jonger: gemiddeld 76,1 jaar.

Figuur 10 toont de relatieve verdeling van patiënten naargelang van het statuut waarin ze zich bevinden. We merken op dat de grootste groep (46,3 %) gepensioneerde patiënten zijn, gevolgd door primaire uitkeringsgerechtigden (P.U.G.) (27,9 %); dit zijn patiënten die hetzij arbeidsgeschikt zijn hetzij korter dan een jaar arbeidsongeschikt zijn en die beroep hebben gedaan op de zorgen verleend door een thuisverpleegkundige. Andere grote categorieën zijn de weduwen of weduwnaars (14,7 %), de invaliden (7,9 %). De overige groepen zijn in geringe mate aanwezig (wezen, patiënten behorend tot een kloostergemeenschap, e.a.). Opvallend is wel dat het aantal WIGW-patiënten (weduwen, invaliden, gepensioneerden en wezen) 69,1 % van alle patiënten uitmaken.
JV2009FIG9

Figuur 10 toont de relatieve verdeling van patiënten naargelang van het statuut waarin ze zich bevinden. We merken op dat de grootste groep (46,3 %) gepensioneerde patiënten zijn, gevolgd door primaire uitkeringsgerechtigden (P.U.G.) (27,9 %); dit zijn patiënten die hetzij arbeidsgeschikt zijn hetzij korter dan een jaar arbeidsongeschikt zijn en die beroep hebben gedaan op de zorgen verleend door een thuisverpleegkundige. Andere grote categorieën zijn de weduwen of weduwnaars (14,7 %), de invaliden (7,9 %). De overige groepen zijn in geringe mate aanwezig (wezen, patiënten behorend tot een kloostergemeenschap, e.a.). Opvallend is wel dat het aantal WIGW-patiënten (weduwen, invaliden, gepensioneerden en wezen) 69,1 % van alle patiënten uitmaken.
JV2009FIG10


Voorkeurregeling of verhoogde tegemoetkoming

Patiënten die recht hebben op de verhoogde tegemoetkoming waren vroeger enkel WIGW (weduwen, invaliden, gepensioneerden en wezen). Zij ontvangen voor bepaalde geneeskundige of verpleegkundige verstrekkingen een hogere vergoeding. Tegenwoordig gaat het vooral om de volgende personen: de rechthebbenden op een tegemoetkoming aan personen met een handicap, patiënten met een gewaarborgd inkomen, met een leefloon of gelijkaardige steun, alsook de weduwnaars/weduwen, gepensioneerden, invaliden, wezen en sommige werklozen, indien zij voldoen aan de gestelde inkomensvoorwaarden.

Van alle patiënten uit de bovenstaande figuur heeft het merendeel geen recht op de verhoogde tegemoetkoming (64,3 %).

Figuur 11 toont de relatieve verdeling van patiënten naar het sociaal statuut en naargelang het recht of geen recht op de verhoogde tegemoetkoming (wel of geen voorkeurregeling).
JV2009FIG11


Het statuut van zelfstandigen
Vanaf 1 januari 2008 kregen zelfstandigen het recht op een verzekering voor de kleine risico's waardoor meer patiënten ook aanspraak konden maken op een terugbetaling van o.a. verpleegkundige zorgen door de mutualiteiten. Deze groep van patiënten met het sociaal statuut van zelfstandige, die voorheen verpleegkundige zorg ontving middels een vrijwillige verzekering, kende in 2009 een groei met 1,4 %. Uit Figuur 12 blijkt dat 9,7 % van de patiënten van het Wit-Gele Kruis het statuut van zelfstandige hebben.JV2009FIG12

Het merendeel (43,8 %) van deze patiënten is gepensioneerd (Figuur 13). 66,1 % van deze gepensioneerden heeft recht op een verhoogde tegemoetkoming. De tweede grootste groep van 'zelfstandigen' zijn de primaire uitkeringsgerechtigden (P.U.G.). Dit zijn patiënten die hetzij niet, hetzij korter dan een jaar arbeidsongeschikt zijn en beroep doen op een thuisverpleegkundige. 96,6 % van deze patiënten geniet geen voorkeurregeling. De derde grootste groep (17,0 %) is die van de weduwen of weduwnaars. Van deze groep geniet het merendeel van de verhoogde tegemoetkoming (80,9 %). M.a.w. 1 op 5 heeft geen recht op de verhoogde tegemoetkoming doordat zijn of haar inkomen hoger is dan het plafond (het al of niet recht hebben op de verhoogde tegemoetkoming is immers gebonden aan het inkomen). De vierde groep van 'zelfstandigen' zijn de invaliden (9,0 %). Ook voor deze groep is het zo dat de meesten (69,6 %) recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming. Een klein aantal patiënten van het Wit-Gele Kruis behoort tot een kloostergemeenschap: 2,2 %. Bijna alle patiënten (99,4%) van deze groep hebben recht op de verhoogde tegemoetkoming.

Opvallend is dus dat meer dan de helft (53,4 %) van de patiënten die onder de regeling van de zelfstandigen vallen recht heeft op de verhoogde tegemoetkoming. De overgrote meerderheid (94,2 %) van deze patiënten is weduwe, invalide, gepensioneerd of wees. Voor de groep die niet ressorteert onder het zelfstandig statuut is dit slechts 33,8 % van de patiënten.
JV2009FIG13

JV2009FIG14
Palliatieve verpleegkundige zorg
Palliatieve zorg begeleidt de patiënt in zijn/ haar laatste levensfase. Hierin staat niet de ziekte centraal, maar wel het maximaal fysiek, psychisch, relationeel en spiritueel comfort van de zieke. Door deze zorg kan de verpleegkundige aan patiënten een menswaardig leveneinde bieden. De palliatieve verpleegkundige zorg wordt sedert oktober 2001 in de nomenclatuur vertaald door forfaits voor fysiek afhankelijke palliatieve patiënten: FPA, FPB en FPC. Een klein aantal palliatieve patiënten is niet onder te brengen in één van deze categorieën omdat ze buiten de voorwaarde vallen waarvoor een palliatief forfait (A, B of C) geldt. Voor deze patiënten mag de verpleegkundige een supplementair honorarium PN of een forfaitair honorarium PP aanrekenen in de betaling per handeling.

Naast de klassieke handelingen ontvangen deze patiënten ook specifieke palliatieve zorg: 0,5% van deze handelingen situeert zich in deze forfaits (FPA, FPB en FPC) en de PN en de PP.
Het voorbereiden van medicatie wordt het meest geregistreerd (49,6 %). Maar ook geplande bezoeken 's nachts (23,1 % ), bezoeken van minimaal 1 uur (bij de PN) (6,3 % ) en overlegvergaderingen met de huisarts (9,9 %) behoren tot de groep van de palliatieve handelingen die het meest voorkomen. In 2009 waren er 3.144 patiënten palliatief. Dit vertegenwoordigt 2,05 % van het totale patiëntenbestand. Figuur 14 geeft aan welke palliatieve zorgen er zijn.

We merken ook op dat over de laatste 5 jaar er een toename is in palliatieve zorg met 36,5 %. Zo zijn tussen 2005 en 2009 de geplande bezoeken 's nachts toegenomen met 132,2 %.
Ook de bezoeken zonder nomenclatuuracte kennen een aanzienlijke stijging met maar liefst 146,1 %.


Psychiatrische patiënten
Ook bij psychiatrische patiënten komt de thuisverpleegkundige aan huis. Sedert 1 oktober 2007 krijgt de thuisverpleegkundige een vergoeding indien zij verpleegkundige hulp biedt bij het voorbereiden en toedienen van medicatie aan chronisch psychiatrische patiënten die lijden aan schizofrenie of een bipolaire stemmingsstoornis. In de praktijk hebben Wit-Gele Kruis verpleegkundigen dit in 2009 meer dan 100.000 keer gedaan voor een beperkte groep van 844 patiënten. Gemiddeld komt de verpleegkundige 2,4 maal per week langs voor deze zorg.


Vergoeding

Het verband tussen het vergoedingstype en de leeftijd, weergegeven in Figuur 15 toont tevens aan dat naarmate de leeftijd vordert ook de zorgafhankelijkheid vergroot. We zien dat de proporties wijzigen met toenemende leeftijd. Op hogere leeftijd wordt zichtbaar dat meer patiënten in de forfaitgroepen belanden.
Deze cijfers illustreren in ruime mate de nood van patiënten aan deskundige verpleegkundige verzorging.
JV2009FIG15

JV2009FIG16
Huisartsen – specialisten
In 2009 hebben 15.512 artsen verpleegkundige zorg voorgeschreven. Figuur 16 toont de relatieve verdeling van artsen, patiënten en vergoedingen naargelang het gaat over een voorschrift van huisartsen of van specialisten.

Het merendeel van de zorgvoorschrijvers is huisarts (51,4 %). Zij schreven verpleegkundige verzorging voor aan de meeste (57,7 %) patiënten van het Wit-Gele Kruis. Het merendeel (86,5 %) van de inkomsten uit de R.I.Z.I.V.-vergoedingen zijn vergoedingen voor zorg voorgeschreven door huisartsen. Dit komt door het feit dat specialisten meer zorg voorschrijven die per handeling wordt vergoed in vergelijking met de huisartsen. 49,2 % van de inkomsten uit de zorg voorgeschreven door specialisten situeert zich in de groep per handeling, tegenover 19,2 % door huisartsen. Een relatief kleiner aantal artsen (48,6 % ) is specialist.

JV2009FIG17In 2009 is er nog steeds een licht overwicht van huisartsen maar hun aantal neemt af met de jaren, zoals blijkt uit Figuur 17. Patiënten met een voorschrift van een specialist nemen dan ook toe. In 2002 was hun relatief aandeel 34,6 %; in 2009 is dit aandeel gestegen naar 42,3 %.

JV2009FIG18Figuur 18 geeft de evolutie weer van het aantal patiënten naargelang het specialisme van een aantal zorgvoorschrijvers. Specialisten inwendige geneeskunde (18,7 %) zijn het best vertegenwoordigd, gevolgd door orthopedisten, specialisten fysische geneeskunde en specialisten fysiotherapie en revalidatie (13,6 %). Heelkunde specialisten zijn vervolgens de derde grootste groep van specialisten (12,7 %).

Dankzij specifieke bekwamingscodes kan men eveneens uitmaken dat 0,1 % van deze artsen een specialisatie heeft als geriater en 0,2 % een als diabetoloog al dan niet naast andere specialisaties.

JV2009FIG19
Bezoeken en handelingen volgens afhankelijkheid

In de RIZIV-nomenclatuur worden zowel de bezoeken geregistreerd als de verpleegtechnische handelingen. De bezoeken en de handelingen kennen sinds 2005 eens stijging met resp. 11,8 % en 22,1 % (Figuur 19). Bij de beschrijving van de patiënten gebruiken we een indeling naar vergoedingstype omdat dit ook indicaties geeft over de graad van zorgafhankelijkheid van de patiënten.

Het aantal patiënten dat een tweede bezoek ontvangt (of meer dan twee) in functie van het vergoedingstype is weergegeven in Figuur 20. Zo behoeft 65,5 % van de patiënten in de FFC (incl. FPC) meer dan twee bezoeken. Uit de figuur blijkt eens te meer dat hoe zwaarder de zorgafhankelijkheid is, hoe meer bezoeken een patiënt behoeft.JV2009FIG20


Bezoeken en handelingen volgens afhankelijkheid

In de RIZIV-nomenclatuur worden zowel de bezoeken geregistreerd als de verpleegtechnische handelingen. De bezoeken en de handelingen kennen sinds 2005 eens tijging met resp. 11,8 % en 22,1 % (Figuur 19). Bij de beschrijving van de patiënten gebruiken we een indeling naar vergoedingstype omdat dit ook indicaties geeft over de graad van zorgafhankelijkheid van de patiënten.JV2009FIG19

JV2009FIG20Het aantal patiënten dat een tweede bezoek ontvangt (of meer dan twee) in functie van het vergoedingstype is weergegeven in Figuur 20. Zo behoeft 65,5 % van de patiënten in de FFC (incl. FPC) meer dan twee bezoeken. Uit de figuur blijkt eens te meer dat hoe zwaarder de zorgafhankelijkheid is, hoe meer bezoeken een patiënt behoeft.

Figuur 21 geeft de relatieve verdeling van de verpleegkundige prestaties naar de aard van de zorg (in %). Hygiënische verzorgingen maken de hoofdmoot uit (40,5 %), wondverzorging is de tweede belangrijkste zorg (20,3 %) en inspuitingen komen op de derde plaats (19,3 %). Andere niet vergoedbare prestaties maken 10,8 % uit van de totaliteit van de zorgen. De diabetes forfaits maken 6,4 % uit van alle zorgen. Deze zorgen bestaan vooral uit het opvolgen van patiënten die geen educatie mogen of kunnen volgen maar wel een insuline inspuiting behoeven (99,8 %).JV2009FIG21

'Andere vergoedbare zorgen', zijn meer gespecialiseerde verpleegkundige zorgen zoals blaaszorg, waaronder blaassondage, -instillatie en –spoeling (35,3 %), gastro-intestinale zorg (37,9 %) met o.m. gastro-intestinale tubage en drainage, darmspoelingen, enterale voeding via maagsonde, gastro- of enterostomiesonde, vulva-, vaginazorgen of aspiratie van luchtwegen (4,4 %) of het toedienen (+ voorbereiden van) medicatie bij chronisch psychiatrische patiënten (22,4 %). Zij maken 2,0 % van alle zorgen en worden weergegeven in Figuur 22.JV2009FIG22

Uit Figuur 23 blijkt bovendien dat deze groep van zorgen het meest voorkomt in de FFC (6,0 %).
Uit Figuur 23 valt ook op dat in de forfaitgroepen het relatief aandeel van de hygiënische verzorgingen en dat van de inspuitingen daalt naarmate de zorgafhankelijkheid vergroot en dat het aandeel van de niet vergoede prestaties groter wordt in functie van een stijgende zorgafhankelijkheid.JV2009FIG23

De specifiek technisch verpleegkundige handelingen maken 0,2 % uit van de totale zorg. Het detail van deze zorgen wordt getoond in Figuur 28.JV2009FIG28

Hoewel de meeste patiënten onder het vergoedingstype ‘per handeling’ worden ingedeeld, gebeurt het grootste aantal prestaties (63,0 %) toch bij de forfaitpatiënten, wat meteen ook de intensiteit en complexiteit van de verzorging aan deze patiënten aangeeft (Figuur 24).
JV2009FIG24

JV2009FIG25
Wondverzorging

Sedert 1 juli 2003 is er in de RIZIV nomenclatuur een verruiming en differentiatie van het begrip wondzorg ingevoerd. Enerzijds wordt onderscheid gemaakt tussen eenvoudige, complexe of specifieke wondverzorging naargelang de aard van de wonde. Anderzijds werden een aantal handelingen die voorheen niet vergoed werden toegevoegd aan de nomenclatuur. Figuur 25 geeft de evolutie aan van de verschillende soorten wondverzorgingen tussen 2003 en 2009. We merken op dat vanaf 2004 de complexe wondverzorging het meest verricht wordt (43,7 % in 2009) en dat het aanbrengen van bandages, compressieverbanden e.a. (27,6 % in 2009) de tweede belangrijkste verzorging is die behoort tot de groep van de wondverzorging. Ook eenvoudige wondverzorgingen (17,5 %) worden nog veelvuldig gedaan. In de loop der jaren worden eenvoudige wondverzorgingen wel minder verricht, terwijl er een toename is van het aanbrengen van bandages, compressieverbanden e.a.


Inspuitingen
Ook deze verstrekkingen behoren traditioneel tot het takenpakket van verpleegkundigen. De RIZIV nomenclatuur maakt enkel in de groep per handeling onderscheid tussen verschillende soorten inspuitingen. Voor forfaitpatiënten wordt dit onderscheid niet gemaakt en worden alle inspuitingen geregistreerd onder eenzelfde nomenclatuurcode. In 2009 werden in totaal (in de 'per handeling' en de forfaits samen) 4.431.208 inspuitingen gegeven. Het grootste deel van de inspuitingen zijn intramusculaire, subcutane of hypodermale injecties.

JV2009FIG26
Diabetes

Diabetespatiënten zijn dankzij de invoering van een specifieke nomenclatuur sedert 1 juli 2003 gekend in de thuisverpleging. In 2009 ontvingen 6.294 diabetespatiënten verpleegkundige verzorging van een Wit-Gele-Kruisverpleegkundige onder de vorm van één of meerdere inspuitingen per dag of een educatie. Meestal (bij een inspuiting) wordt een opvolgingshonorarium aangerekend (85,3 %). 256 patiënten kregen een individuele educatie tot zelfzorg door een referentieverpleegkundige; 372 patiënten ontvingen een educatie tot inzicht. Bij de eerste educatie wordt aan de patiënt de techniek aangeleerd zodat deze volledig autonoom voor zichzelf kan instaan.
Vanaf 1 september 2009 kunnen verpleegkundigen ook vergoed worden bij het begeleiden van diabetespatiënten indien deze een zorgtraject doorlopen. Een zorgtraject organiseert en coördineert de aanpak, de behandeling en de opvolging van een patiënt met een chronische ziekte, in casu diabetes type II. Erkende en geregistreerde diabeteseducators verrichten hetzij een opstarteducatie en instelling van insuline en/of incretinemimetica (medicatie die werkzaam is ter hoogte van het darmstelsel en die insuline en glucagon secretie reguleert), hetzij de opvolging van deze educatie bij insuline en/incretinemimetica dependente patiënten of geven een extra educatie bij probleemsituaties.
De meeste diabetespatiënten die door het Wit-Gele Kruis worden geholpen behoeven verzorging voor een langere tijd, hetgeen blijkt uit Figuur 26. Bijna 50 % van de diabetespatiënten (49,9 %) wordt langer dan 300 dagen verzorgd.

JV2009FIG27De intensiteit van deze zorg wordt weergegeven in Figuur 27: bijna drievierde van de diabetespatiënten (72,5 %) behoeft een tweede bezoek en 36,3 % zelfs een derde bezoek of meer.

JV2009TAB2Het detail van deze zorgen wordt weegegeven in Tabel 2.
Toch hebben reeds 631 patiënten een educatie tot zelfzorg of inzicht ontvangen zodat zij zoveel mogelijk zelfredzaam zijn in de behandeling en de controle van hun ziekte.


Verpleegkundig consult

In februari 2009 kon deze verstrekking voor het eerst vergoed worden. Met deze intellectuele handeling worden verpleegkundige gezondheidsproblemen en zorgdoelen van de patiënt geformuleerd, hetgeen in een verslag zijn uitdrukking vindt. De patiënt hoeft hiervoor ook geen persoonlijk aandeel te betalen. Deze nieuwe verstrekking, die zonder een medisch voorschrift mag verleend worden mag maximaal 1 maal per kalenderjaar en per patiënt geattesteerd worden door een gegradueerde of gebrevetteerde verpleegkundige of door een vroedvrouw.

Hoewel het verpleegkundig consult in 2009 slechts 0,1 % uit van alle zorgen uitmaakt, hebben reeds 16.225 patiënten van het Wit-Gele Kruis dit consult ontvangen.

JV2009FIG28
Specifiek technisch verpleegkundige verstrekkingen

Dit zijn gespecialiseerde handelingen zoals intraveneuze of subcutane perfusie, parenterale voeding, epidurale of intrathecale anesthesie (d.i. de verdoving door injectie van een verdovingsmiddel binnen de hersen- (ruggenmergs-)vliezen) en het plaatsen van een verblijfskatheter of specifiek materiaal voor het toedienen van geneeskundige oplossingen in een implanteerbare kamer. Sedert 1 februari 2009 wordt een nieuwe specifiek technisch verpleegkundige handeling gehonoreerd, nl. de verwijdering van een verblijfskatheter of van een specifiek materiaal dat de toediening van een geneeskundige oplossing in een implanteerbare kamer toelaat. Uit Figuur 28 valt af te leiden dat de eerste handeling het meest voorkomt: resp. 64,2 %. De andere twee verstrekkingen komen voor in resp. 24,9 % en 10,9 % van alle specifiek technisch verpleegkundige handelingen.

JV2009FIG29
De handelingen per bezoek - per verzorgingsdag - bezoeken per verzorgingsdag

Figuur 29 geeft per vergoedingstype, het gemiddeld aantal handelingen per bezoek, en per verzorgingsdag weer alsook het aantal bezoeken per verzorgingsdag.

We noteren hier een stijgend aantal handelingen en bezoeken naar het vergoedingstype wat het verband illustreert tussen de mate van ADL-afhankelijkheid en de mate van zorgafhankelijkheid.

Afdrukken